Brandwonden behandelen

Tijdens de opname van een patiënt met brandwonden worden als eerste de vitale functies (ademhaling, pols en bloeddruk) gecontroleerd. Daarna onderzoekt de arts de brandwonden door te kijken naar de diepte, de uitgebreidheid en de plaats van de verbranding. Op basis van dit onderzoek wordt vervolgens een behandelplan opgesteld.

Oppervlakkige tweedegraads brandwonden genezen vanzelf, meestal binnen twee weken. Op sommige delen van het lichaam is de huid dik – bijvoorbeeld op de rug of het been – en kan een diepe tweedegraads brandwond na een maand of langer nog vanzelf genezen. Op andere delen van het lichaam mag de genezing niet te lang duren, omdat de littekens dan minder mooi kunnen genezen. Daarom vindt in een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij brandwonden in het gezicht, de hals en op de handen een huidtransplantatie plaats. Dit resulteert over het algemeen in mooiere littekens.

Derdegraads brandwonden worden vrijwel altijd behandeld met een huidtransplantatie. Een diepe en uitgebreide verbranding kan de brandwondenpatiënt ziek maken. Soms worden dan al in de eerste dagen na de opname delen van de diep verbrande huid verwijderd, waarna huidtransplantaten en donorhuid op de wond worden aangebracht. Voor de huidtransplantaten wordt van een ander deel van het lichaam, dat niet verbrand is geraakt, huid verwijderd. De donorhuid is een tijdelijke bedekker en helpt om het huidtransplantaat goed te laten uitgroeien. Wanneer er niet genoeg eigen huid is om de wond geheel te bedekken wordt er zo nodig extra donorhuid gebruikt, als tijdelijke bedekking om infecties te voorkomen. Of de getransplanteerde huid goed is vastgegroeid kan een week na de transplantatie worden vastgesteld. Meestal zijn er na een transplantatie nog kleine restwonden die met de juiste behandeling vanzelf genezen.