Gestart in 2005

Projectduur: 3 jaar

Projectleider: Marianne K. Nieuwenhuis – Vereniging Samenwerkende Brandwondencentra Nederland

Doel
Het analyseren van de effectiviteit van flammacerium versus Flammazine als behandeling van gelaatsverbrandingen en het analyseren van de impact van deformatie van het gelaat als gevolg van brandwonden op het psychosociaal welbevinden van patiënten.

Achtergrond
Het gelaat is betrokken bij 40-50% van de patiënten met brandwonden die opgenomen worden in de Nederlandse Brandwondencentra. Littekens in het gelaat die ontstaan als gevolg van brandwonden hebben vaak een negatief effect op functie en cosmetiek en dientengevolge, zo wordt verondersteld, op psychosociaal welbevinden.
Wat de beste behandeling is, met minimale littekenvorming, is onduidelijk.

In de klinische praktijk lijken goede resultaten te kunnen worden bereikt door gelaatsverbrandingen te behandelen met flammacerium. Om de vooronderstelde voordelen van flammacerium te toetsen, wordt de effectiviteit ervan vergeleken met een alternatief voor behandeling van gelaatsverbrandingen; Flammazine. Ten tweede wordt algemeen verondersteld dat mensen met deformatie van het gelaat psychische en sociale problemen ondervinden. Hier is echter weinig bewijs voor.

Methode
De effectiviteit van de twee behandelingsstrategieën zal worden geanalyseerd in een prospectief gerandomiseerd klinisch multicentre onderzoek. Effectiviteit wordt geanalyseerd in termen van aantallen patiënten met gelaatsverbrandingen die geopereerd worden en functionele en cosmetische resultaten. Daarnaast wordt bij patiënten met en zonder deformatie van het gelaat het zelfvertrouwen in de loop van de tijd geanalyseerd en de samenhang met depressie, posttraumatische stress en factoren als copingstijl en sociale steun.

Verwacht resultaat 
Door het evalueren van de effectiviteit van verschillende behandelingsstrategieën wordt een bijdrage geleverd aan het optimaliseren van de behandeling van gelaatsverbrandingen. Daarnaast wil deze studie analyseren of gelaatsverbrandingen een hoger risico vormen voor het ontstaan van psychosociale problemen op lange termijn. De resultaten van deze studie zouden de psychosociale (na)zorg kunnen verbeteren, omdat psychosociale professionals beter in staat zullen zijn om personen met een verhoogd risico op psychosociale problemen te identificeren.

Beknopte samenvatting van de resultaten
Voor de interventiestudie werden van maart 2006 tot januari 2009 van de 583 patiënten die in aanmerking kwamen voor het onderzoek, 179 gerandomiseerd. Hiervan konden 154 geïncludeerd en geanalyseerd worden. Voorlopige resultaten duiden erop dat de 2 groepen Ce-ZSD (n=78) versus ZSD (n=76) vergelijkbaar zijn wat betreft geslacht, leeftijd, TVLO% en etiologie. Dertien respectievelijk 15 patiënten hadden een operatie nodig voor hun gelaatsverbranding. Er lijkt geen verschil in wondgenezingstijd noch in secundaire uitkomsten. Definitieve resultaten zijn beschikbaar in het voorjaar van 2010.

Follow-up met betrekking tot de psychosociale impact van gelaatsverbranding is nog gaande. Voorlopige resultaten laten geen verschil in zelfbeeld zien 3 maanden na het ongeval, noch in ervaren sociale steun. Mensen met een gelaatsverbranding verschilden wel significant van mensen zonder gelaats-verbranding op de coping stijl ‘accepteren’. Dit suggereert dat zij het moeilijker vinden te accepteren wat hen is overkomen. Meer (multivariate) resultaten zullen beschikbaar zijn in de herfst van 2010.

Conclusie
Door inspanning van velen is dit het eerste prospectief gerandomiseerde multicentre onderzoek in de Nederlandse brandwondencentra succesvol verlopen. Voorlopige analyses wijzen op een vergelijkbare effectiviteit van beide behandelingen.

print