Afgerond in 2016

Projectduur: 1 jaar

Projectleider: E. Middelkoop

Beknopte samenvatting van de resultaten

Vettransplantatie onder brandwondlittekens zou kunnen helpen om de functie van de subcutis te herstellen. Het effect van vettransplantatie kan echter beperkt worden door resorptie van een deel van het vet in de maanden na transplantatie. Het is moeilijk te voorspellen hoeveel vet aanwezig zal blijven na transplantatie. Voor het oogsten van het vet worden veel verschillende technieken gebruikt, wat het beoordelen wat het succes van de vettransplantatie bemoeilijkt. Heeft dit te maken met de (viabiliteit) van de verschillende celfracties (vetcellen of andere cellen zoals stamcellen), met het vetweefsel en de extracellulaire matrix, of juist met een combinatie van deze fracties? In deze studie wilden wij het werkingsmechanisme van vet-transplantatie onderzoeken, om het succes bij gebruik bij brandwondenlittekens te vergroten.

We hebben eerst gezocht naar een methode om de viabiliteit van het vettransplantaat te bepalen. De MTT-test is een veelgebruikte methode om cellulaire activiteit te bepalen, en daarmee indirect viabiliteit. Echter ook niet-cellulaire blaasjes, en vet na een lange opslagtijd, nog activiteit lieten zien. Dit bemoeilijkte de interpretatie van de gegevens. We hebben deze methode daarom niet verder gebruikt voor het bepalen van de viabiliteit van het vettransplantaat. De methode die het beste werkte was de Hoechst/PI kleuring. Voor deze methode hoefde het vet nauwelijks voorbewerkt te worden, en de kleuring was erg specifiek: alleen cellen met een kapotte membraan (dode cellen) kleuren met PI, terwijl Hoechst alle celkernen aankleurt. Met deze methode hebben we viabiliteit gemeten van 25 vetsamples die met de ‘Coleman’ methode geoogst waren, en van 17 vetsamples die op een andere manier geoogst waren. De viabiliteit van de samples uit beide groepen was gelijk, en onze methode om viabiliteit te bepalen gaf geen indicatie voor een effect van oogstmethode op vetviabiliteit.

Ook wilden we onderzoeken welke fractie van het vettransplantaat effectief is. Dit wilden we uitzoeken door uit varkensvet de verschillende celfracties te isoleren, en deze subcutaan terug te plaatsen in verschillende combinaties met of zonder extracellulaire matrixmoleculen. Het was echter niet mogelijk om de vetcellen te isoleren uit het vet van het varken op dezelfde wijze als humaan vet, waardoor geen goede vergelijking mogelijk is gebleken.

Concluderend laat deze pilotstudie zien, dat de methodes om viabiliteit van vettransplantaten te beoordelen niet optimaal zijn. Gebruik makend van de beste methode tot onze beschikking, zagen we geen effect van verschillende oogstmethodes op de viabiliteit van het vet. Het was niet mogelijk om het effect van de verschillende celfracties te testen in een varkensmodel.

print